Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:10

[1] En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:

[2] Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer, zoals in de dagen toen God mij bewaarde!

[3] Toen Hij Zijn lamp liet schijnen boven mijn hoofd, en ik bij Zijn licht door de duisternis wandelde.

[4] Was ik maar zoals in de dagen van mijn jeugd, toen de vertrouwelijke omgang met God over mijn tent was.

[5] Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij.

[6] Toen ik mijn voeten baadde in boter, en de rots bij mij beken van olie uitgoot.

[7] Toen ik door de stad naar de poort ging, toen ik mijn zetel op het plein liet klaarzetten,

[8] zagen de jongens mij en hielden zich schuil, en stokouden stonden op en bleven staan.

[9] Vorsten hielden hun woorden in, en legden de hand op hun mond.

[10] De stem van de vorsten verstomde, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

[11] Als een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig; als een oog mij zag, getuigde het ten gunste van mij.

[12] Want ik bevrijdde de ellendige die om hulp riep, en de wees die geen helper had.

[13] De zegen van hem die verloren ging, kwam over mij; en het hart van de weduwe deed ik vrolijk zingen.

[14] Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en die bekleedde mij; mijn recht was als een mantel en een tulband.

[15] Voor de blinde was ik als ogen, en voor de kreupele was ik als voeten.

[16] Ik was een vader voor de armen, en de aanklacht die ik niet kende, onderzocht ik.

[17] Ik brak de hoektanden van wie onrecht deed, en rukte de prooi uit zijn tanden.

[18] Ik zei: Ik zal in mijn eigen nest de geest geven, en ik zal de dagen talrijk maken als het zand.

[19] Mijn wortel was uitgestrekt naar het water, en dauw overnachtte op mijn twijgen.

[20] Mijn eer was steeds nieuw bij mij, en mijn boog vernieuwde zich in mijn hand.

[21] Zij luisterden naar mij, en wachtten, en zwegen om mijn raad te horen.

[22] Na mijn woorden spraken zij niet opnieuw, en mijn woorden druppelden op hen neer.

[23] Want zij wachtten op mij, zoals op de regen, en sperden hun mond open, zoals naar de late regen.

[24] Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht van mijn aangezicht konden zij niet verdonkeren.

[25] Ik koos hun weg en zat aan het hoofd, en ik woonde als een koning onder de troepen, als iemand die treurenden troost.

Job — Chapters