Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:02

[1] Daarna antwoordde deHEERE Job uit een storm en zei:

[2] Omgord nu als een man uw heupen, dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:

[3] Wilt u ook Mijn recht vernietigen? Wilt u Mij schuldig verklaren, opdat u zelf rechtvaardig bent?

[4] Hebt u een arm zoals God? En kunt u, zoals Hij, met uw stem donderen?

[5] Tooi u nu met heerlijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en glorie.

[6] Verspreid de verbolgenheden van uw toorn, en zie elke hoogmoedige en verneder hem.

[7] Zie elke hoogmoedige en onderwerp hem, en verpletter de goddelozen op hun plaats.

[8] Verberg hen tezamen in het stof; omwikkel hun gezichten in het verborgene.

[9] Dan zal ook Ik u prijzen, omdat uw rechterhand u verlost heeft.

[10] Zie toch, de Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals u, hij eet gras zoals een rund.

[11] Zie toch zijn kracht in zijn lendenen, en zijn sterkte in de spieren van zijn buik.

[12] Als hij wil, is zijn staart als een ceder; de pezen van zijn dijen zijn samengevlochten.

[13] Zijn beenderen zijn als staven brons; zijn gebeente is als ijzeren stangen.

[14] Hij is de voornaamste van Gods werken; Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard verschaft.

[15] De bergen brengen immers voedsel voor hem voort, en alle dieren van het veld spelen daar.

[16] Hij legt zich te slapen onder schaduwrijke bomen, in een schuilplaats van riet en moeras.

[17] De schaduwrijke bomen bedekken hem elk met zijn schaduw; de wilgen van de beek omringen hem.

[18] Zie, als de rivier wild wordt, beeft hij niet; hij blijft kalm wanneer de Jordaan opbruist tegen zijn bek.

[19] Kan iemand hem bij zijn ogen vangen? Kan iemand hem met strikken de neus doorboren?

[20] Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken, of zijn tong met een touw neerdrukken?

[21] Kunt u een riet door zijn neus steken, of met een doorn zijn kaak doorboren?

[22] Zal hij u talrijke smeekbeden doen? Zal hij zachte dingen tegen u spreken?

[23] Zal hij een verbond met u sluiten? Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?

[24] Kunt u met hem spelen als met een vogeltje? Of hem vastbinden voor uw meisjes?

[25] Kunnen de handelaars hem verkopen? Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?

[26] Kunt u zijn huid volsteken met speren, of zijn kop met een visharpoen?

[27] Leg uw hand maar eens op hem; denk aan de strijd, doe het niet meer.

[28] Zie, de hoop hem te overmeesteren, zal een leugen blijken; reeds bij zijn aanblik wordt men neergeworpen.

Job — Chapters