[1] Daarna antwoordde deHEERE Job uit een storm en zei:
[2] Omgord nu als een man uw heupen, dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:
[3] Wilt u ook Mijn recht vernietigen? Wilt u Mij schuldig verklaren, opdat u zelf rechtvaardig bent?
[4] Hebt u een arm zoals God? En kunt u, zoals Hij, met uw stem donderen?
[5] Tooi u nu met heerlijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en glorie.
[6] Verspreid de verbolgenheden van uw toorn, en zie elke hoogmoedige en verneder hem.
[7] Zie elke hoogmoedige en onderwerp hem, en verpletter de goddelozen op hun plaats.
[8] Verberg hen tezamen in het stof; omwikkel hun gezichten in het verborgene.
[9] Dan zal ook Ik u prijzen, omdat uw rechterhand u verlost heeft.
[10] Zie toch, de Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals u, hij eet gras zoals een rund.
[11] Zie toch zijn kracht in zijn lendenen, en zijn sterkte in de spieren van zijn buik.
[12] Als hij wil, is zijn staart als een ceder; de pezen van zijn dijen zijn samengevlochten.
[13] Zijn beenderen zijn als staven brons; zijn gebeente is als ijzeren stangen.
[14] Hij is de voornaamste van Gods werken; Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard verschaft.
[15] De bergen brengen immers voedsel voor hem voort, en alle dieren van het veld spelen daar.
[16] Hij legt zich te slapen onder schaduwrijke bomen, in een schuilplaats van riet en moeras.
[17] De schaduwrijke bomen bedekken hem elk met zijn schaduw; de wilgen van de beek omringen hem.
[18] Zie, als de rivier wild wordt, beeft hij niet; hij blijft kalm wanneer de Jordaan opbruist tegen zijn bek.
[19] Kan iemand hem bij zijn ogen vangen? Kan iemand hem met strikken de neus doorboren?
[20] Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken, of zijn tong met een touw neerdrukken?
[21] Kunt u een riet door zijn neus steken, of met een doorn zijn kaak doorboren?
[22] Zal hij u talrijke smeekbeden doen? Zal hij zachte dingen tegen u spreken?
[23] Zal hij een verbond met u sluiten? Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?
[24] Kunt u met hem spelen als met een vogeltje? Of hem vastbinden voor uw meisjes?
[25] Kunnen de handelaars hem verkopen? Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?
[26] Kunt u zijn huid volsteken met speren, of zijn kop met een visharpoen?
[27] Leg uw hand maar eens op hem; denk aan de strijd, doe het niet meer.
[28] Zie, de hoop hem te overmeesteren, zal een leugen blijken; reeds bij zijn aanblik wordt men neergeworpen.