Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:05

[1] Zie, mijn oog heeft alles gezien, mijn oor heeft het gehoord en begrepen.

[2] Zoals jullie het weten, weet ík het ook; ik zwicht niet voor jullie.

[3] Maar ík zal tot de Almachtige spreken, en vind er behagen in mij voor God te verdedigen.

[4] Maar werkelijk, jullie dekken alles toe met leugens; jullie zijn allemaal heelmeesters van niets.

[5] Och, zwegen jullie maar helemaal! Dat zou jullie tot wijsheid zijn.

[6] Luister toch naar mijn verdediging, en sla acht op het verweer van mijn lippen.

[7] Zouden jullie tegen God onrecht spreken, en zouden jullie tegen Hem bedrog spreken?

[8] Trekken jullie partij voor Hem? Voeren jullie een rechtszaak voor God?

[9] Zou het goed zijn, als Hij jullie onderzoekt? Willen jullie Hem bedriegen, zoals men een sterveling bedriegt?

[10] Hij zal jullie zeker straffen als jullie in het geheim partijtrekken.

[11] Jaagt Zijn hoogheid jullie geen angst aan? Overvalt vrees voor Hem jullie niet?

[12] Wat jullie in herinnering brengen, zijn spreuken van as, jullie verweer is als een verweer van leem.

[13] Zwijg toch tegenover mij, zodat ik zelf kan spreken, en laat maar over mij komen wat komt:

[14] waarom ik mijn vlees tussen mijn tanden neem, en mijn leven in de waagschaal stel.

[15] Zie, al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen? Maar toch zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

[16] Ook zal Hij mij tot verlossing zijn; maar een huichelaar zal niet voor Zijn aangezicht komen.

[17] Luister aandachtig naar mijn woorden, en laat mijn uiteenzetting in jullie oren komen.

[18] Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet; ik weet dat ík rechtvaardig ben.

[19] Wie is hij die een rechtszaak met mij voert? Als ik nu zweeg, zou ik de geest geven.

[20] Alleen, doe twee dingen niet met mij, dan zal ik mij niet voor Uw aangezicht verbergen.

[21] Doe Uw hand die op mij drukt, ver weg, en laat Uw bedreiging mij geen angst meer aanjagen.

[22] Roep dan, en ík zal antwoorden; of ik zal spreken, en antwoord mij.

[23] Hoeveel ongerechtigheden en zonden heb ik? Maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend.

[24] Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt U mij voor Uw vijand?

[25] Wilt U een weggewaaid blad schrik aanjagen, en wilt U droge stoppels achtervolgen?

[26] Want U schrijft bittere dingen tegen mij uit, en U rekent mij de ongerechtigheden van mijn jeugd toe.

[27] U legt mijn voeten in het blok, en let op al mijn paden; U maakt een teken in mijn voetzolen.

[28] En dat bij iemand die veroudert als iets dat verrot, als een kleed dat de motten opeten.

Job — Chapters