Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:09

[1] Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt, en een plaats voor het goud waar het gezuiverd wordt.

[2] Het ijzer wordt uit de aarde gehaald, en uit gesteente wordt koper gesmolten.

[3] De mens bepaalt het einde voor de duisternis, en elke grens onderzoekt men, het gesteente in het donker en de schaduw van de dood.

[4] Hij hakt een mijnschacht uit, ver van de plaats waar hij verblijft; zonder steun van de voet hangen zij, ver van de sterveling zweven zij.

[5] Uit de aarde komt het brood voort, en onder in haar wordt zij veranderd, als door vuur.

[6] Haar gesteente is de plaats van saffier, en zij bevat goudstofjes.

[7] De roofvogel kent het pad erheen niet, en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.

[8] De trotse jonge dieren hebben het niet betreden, geen felle leeuw is er overheen gegaan.

[9] De mens slaat zijn hand aan het harde gesteente, hij keert de bergen vanaf de wortel om.

[10] In de rotsen hakt hij gangen uit, zijn oog ziet alles wat kostbaar is.

[11] Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt, en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.

[12] Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden? En waar is de plaats van het inzicht?

[13] De sterveling kent haar waarde niet, zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.

[14] De watervloed zegt: In mij is zij niet; en de zee zegt: Bij mij is zij niet.

[15] Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden, en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.

[16] Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden, en evenmin met de kostbare onyx en saffier.

[17] Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden, en zij is niet in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.

[18] Aan koraal en kristal wordt niet meer gedacht, want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.

[19] Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden; en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.

[20] De wijsheid dus, waar komt zij vandaan, en waar is de plaats van het inzicht?

[21] Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden, en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.

[22] Het verderf en de dood zeggen: Met onze oren hebben wij slechts een gerucht over haar gehoord.

[23] God begrijpt haar weg, en Híj kent haar plaats.

[24] Want Híj ziet tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder heel de hemel,

[25] terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt, en de wateren meet met een maat.

[26] Toen Hij een verordening maakte voor de regen, en een weg voor het weerlicht van de donder –

[27] toen zag Hij haar, en peilde haar. Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.

[28] Maar tegen de mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid, en zich afkeren van het kwade is inzicht.

Job — Chapters