Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:37

[1] Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

[2] Zal een wijze antwoorden met wetenschap die als wind is? Zal hij zijn buik vullen met oostenwind?

[3] Bestraft hij met woorden die nutteloos zijn, en met uitspraken waarvan hij geen voordeel heeft?

[4] Ja, jíj doet de vreze Gods teniet, en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg.

[5] Want je eigen mond geeft je ongerechtigheid te kennen, je hebt de tong van de sluwen gekozen.

[6] Je eigen mond verklaart je schuldig, en niet ik; je lippen getuigen tegen je.

[7] Ben jij de eerste mens die geboren werd? Ben jij vóór de heuvels voortgebracht?

[8] Heb jij geluisterd in de verborgen raad van God? En heb jij de wijsheid naar je toe getrokken?

[9] Wat weet jij dat wij niet weten? Wat begrijp jij dat bij ons ontbreekt?

[10] Onder ons is ook een grijsaard en een stokoude, ouder van dagen dan jouw vader.

[11] Zijn de vertroostingen van God te klein voor je, of woorden in zachtheid met je gesproken?

[12] Waarom voert je hart je zo mee, en waarom flikkeren je ogen,

[13] dat je je geest tegen God keert en zulke woorden uit je mond laat gaan?

[14] Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn, en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn?

[15] Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet, en zelfs de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.

[16] Hoeveel te meer is dan een man afschuwelijk en verdorven die het onrecht indrinkt als water!

[17] Ik zal het je te kennen geven, luister naar mij; wat ik gezien heb, zal ik vertellen,

[18] wat de wijzen bekendgemaakt hebben, en wat men voor hun vaderen niet verborgen heeft.

[19] Aan hen alleen was het land gegeven, en geen vreemde ging door hun midden.

[20] Alle dagen doet de goddeloze zichzelf verdriet aan; en voor de geweldpleger is een klein aantal jaren weggelegd.

[21] Het geluid van angstaanjagende dingen klinkt in zijn oren; zelfs tijdens de vrede komt de verwoester naar hem toe.

[22] Hij verwacht niet dat hij terugkeert uit de duisternis, omdat er met een zwaard op hem geloerd wordt.

[23] Hij zwerft rond om brood. Waar is het? Hij weet dat een dag van duisternis voor hem ophanden is.

[24] Benauwdheid en angst overvallen hem; ze overweldigen hem als een koning die klaar is voor de strijd.

[25] Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit, en hij verheft zich tegen de Almachtige.

[26] Hij rent op Hem af met opgeheven nek, met de dikke knoppen van zijn schilden vooruit.

[27] Want hij heeft zijn gezicht bedekt met zijn vet, en hij heeft een vetlaag op zijn lendenen gedaan.

[28] Hij bewoont verwoeste steden, huizen waarin niemand meer woont, bestemd om een puinhoop te worden.

[29] Hij zal niet rijk worden, zijn vermogen houdt geen stand, en hun bezit breidt zich niet uit over de aarde.

[30] Hij kan de duisternis niet ontwijken, een vlam verdroogt zijn jonge loot; hij gaat weg door de adem van Gods mond.

[31] Laat hij niet vertrouwen op iets wat nutteloos is, waardoor hij misleid wordt; want iets nutteloos zal hij als vergelding krijgen.

[32] Terwijl het zijn sterfdag nog niet is, zal die vervuld worden, en zijn palmtak zal niet groen worden.

[33] Hij zal zijn onrijpe druiven afstoten als een wijnstok, en zijn bloesem afwerpen als een olijfboom.

[34] Ja, de gemeenschap van de huichelaars is onvruchtbaar, en het vuur verteert de tenten van hen die geschenken aannemen.

[35] Zij zijn zwanger van moeite en baren onheil, en hun buik brengt bedrog voort.

Job — Chapters