Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:15

[1] Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:

[2] Daarom laten mijn gedachten mij antwoorden, en vanwege deze woorden haast ik mij.

[3] Ik heb een bestraffing gehoord die mij schande aandoet, maar de Geest zal op grond van mijn inzicht voor mij antwoorden.

[4] Weet je dit? Dat altijd al, vanaf het moment dat God de mens op de aarde geplaatst heeft,

[5] het gejuich van de goddelozen van korte duur geweest is, en de blijdschap van de huichelaar maar voor een ogenblik,

[6] ook al klimt zijn hoogmoed op tot de hemel, en raakt zijn hoofd tot aan de wolken.

[7] Hij zal, evenals zijn uitwerpselen, voor altijd vergaan; wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?

[8] Hij zal wegvluchten als een droom, zodat men hem niet meer kan vinden, en hij zal verjaagd worden als een visioen in de nacht.

[9] Het oog dat hem waarnam, doet dat niet meer; en zijn woonplaats ziet hem niet meer.

[10] Zijn kinderen proberen bij de armen in de gunst te komen; en zijn handen moeten zijn vermogen teruggeven.

[11] Zijn beenderen zijn nog vol van zijn jeugdige kracht, maar ze zullen met hem in het stof neerliggen.

[12] Als het kwaad in zijn mond zoet is, als hij dat verbergt onder zijn tong,

[13] als hij dat spaart en het niet laat varen, maar het tegen zijn gehemelte blijft houden,

[14] dan zal zijn voedsel in zijn ingewanden veranderen; gif van adders zal het in zijn binnenste zijn.

[15] Hij heeft vermogen verslonden, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik verdrijven.

[16] Hij zal vergif van adders zuigen; de tong van de slang zal hem doden.

[17] Hij zal de stromen, rivieren, beken van honing en boter niet zien.

[18] Hij zal de opbrengst teruggeven en niet verslinden; hij zal niet genieten van de rijkdom van zijn handel.

[19] Omdat hij de armen onderdrukt en verlaten heeft, een huis geroofd heeft dat hij niet gebouwd had,

[20] omdat hij geen rust in zijn binnenste gekend heeft, zal hij van wat hij begeerde, niets kunnen redden.

[21] Er blijft niets over wat hij kan eten; daarom verwacht hij niets meer van zijn welvaart.

[22] In de volheid van zijn overvloed krijgt hij het benauwd; de hand van iedere ellendige komt over hem.

[23] Laat er wat zijn om zijn buik te vullen, God zal Zijn brandende toorn op hem zenden, en die over hem laten regenen op zijn voedsel.

[24] Is hij gevlucht voor de ijzeren wapens, dan zal de bronzen boog hem doorboren.

[25] Men trekt de pijl, en hij komt uit zijn rug, hij komt glinsterend uit zijn gal; verschrikkingen komen over hem.

[26] Alle duisternis wacht heimelijk op zijn verborgen goederen. Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem; wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht.

[27] De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde staat tegen hem op.

[28] De inkomsten van zijn huis verdwijnen; ze vloeien weg op de dag van Zijn toorn.

[29] Dit is het wat de goddeloze mens van Godswege ten deel valt, en het erfelijk bezit van zijn woorden van Godswege.

Job — Chapters