Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:19

[1] Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job! en hoor al mijn woorden aan.

[2] Zie toch, ik heb mijn mond geopend; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.

[3] Wat ik zeg, zal de oprechtheid van mijn hart uitspreken, en de kennis van mijn lippen dat wat zuiver is.

[4] De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt.

[5] Als je kunt, antwoord mij dan; stel je dan op vóór mij, ga staan.

[6] Zie, ik ben voor God net als jij; ook ik ben maar uit leem gevormd.

[7] Zie, laat mijn bedreiging je geen angst aanjagen, en mijn hand zal niet zwaar op je drukken.

[8] Zeker, je hebt ten aanhoren van mij gezegd, en ik heb de stem van je woorden gehoord:

[9] Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben onschuldig en heb geen misdaad begaan.

[10] Zie, Hij vindt gronden voor een aanklacht tegen mij, Hij beschouwt mij als Zijn vijand.

[11] Hij legt mijn voeten in het blok, Hij let op al mijn paden.

[12] Maar zie, antwoord ik jou, hierin ben je niet rechtvaardig; want God is groter dan een sterveling.

[13] Waarom heb je Hem ter verantwoording geroepen? Hij legt immers van geen van Zijn daden verantwoording af.

[14] Want God spreekt één of twee keer, maar men slaat er geen acht op:

[15] in een droom, een visioen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimer op de slaapplaats.

[16] Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun tuchtiging,

[17] om de mens van een verkeerde daad af te brengen. Hij verbergt de hoogmoed voor een man.

[18] Hij houdt zijn ziel af van het verderf, en zijn leven van het omkomen door de werpspies.

[19] Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats, en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.

[20] Zijn leven verfoeit zelfs het brood, en zijn ziel het begerenswaardige voedsel.

[21] Zijn vlees vergaat, zodat het niet meer te zien is, en zijn beenderen, die niet te zien waren, steken nu uit.

[22] Zijn ziel nadert het graf, en zijn leven nadert de dingen die doden.

[23] Als er dan een afgezant bij hem is, een bemiddelaar, één uit duizend, om de mens bekend te maken wat zijn recht is,

[24] dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf; Ik heb verzoening gevonden.

[25] Zijn vlees zal frisser worden dan het was in zijn jeugd; hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd.

[26] Hij zal vurig tot God bidden, en Die zal hem goedgezind zijn en zijn aangezicht aanzien met gejuich, want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven.

[27] Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen: Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt, maar Hij heeft het mij niet vergolden.

[28] Maar God heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam, en mijn leven nu in het licht ziet.

[29] Zie, dit alles doet God twee of drie keer met een man,

[30] om zijn ziel terug te brengen van het graf, opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven.

[31] Sla er acht op, Job! Luister naar mij; zwijg, dan zal ík spreken.

[32] Als er tegenwerpingen zijn, antwoord mij dan; spreek, want ik verlang ernaar jou te rechtvaardigen.

[33] Zo niet, luister jíj dan naar mij; zwijg, en ik zal je wijsheid leren.

Job — Chapters