Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:55

[1] Daarna antwoordde deHEERE Job uit een storm en zei:

[2] Wie is hij die Mijn raad duister maakt met woorden zonder kennis?

[3] Omgord nu als een man uw heupen, dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:

[4] Waar was u toen Ik de aarde grondvestte? Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.

[5] Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers wel. Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?

[6] Waarop zijn haar pijlers neergezonken? Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,

[7] toen de morgensterren samen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten?

[8] Of wie heeft de zee met deuren afgesloten, toen zij losbarstte en uit de baarmoeder naar buiten kwam,

[9] toen Ik haar een wolk gaf als kleding, en de donkere wolken als haar omslagdoek.

[10] Ik stelde haar Mijn grens, en plaatste een grendel en deuren,

[11] en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder, hier zal zich een grens stellen tegen de glorie van uw golven.

[12] Hebt u in uw dagen de morgen ontboden? Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,

[13] om de einden van de aarde vast te grijpen, zodat de goddelozen van haar afgeschud worden?

[14] De aarde verandert als leem door een zegel, en de dingen krijgen vorm als een kleed.

[15] De goddelozen wordt hun licht onthouden, en de opgeheven arm wordt gebroken.

[16] Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee? Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?

[17] Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard? Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?

[18] Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde? Maak het bekend, als u dit allemaal weet.

[19] Waarheen is de weg waar het licht woont? En de duisternis, waar is zijn woonplaats,

[20] zodat u die naar zijn gebied kunt brengen, en dat u de paden naar zijn huis kunt opmerken?

[21] U weet het vast wel, want u was toen al geboren, en uw dagen zijn groot in aantal.

[22] Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw? Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,

[23] die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid, voor een dag van strijd en oorlog?

[24] Waarheen is de weg waar het licht zich verdeelt, en de oostenwind zich verspreidt over de aarde?

[25] Wie klieft voor de stortvloed een waterloop, en een weg voor het weerlicht van de donder,

[26] om het te laten regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is,

[27] om het gebied van verwoesting en vernietiging te verzadigen, en om het opkomende groen te laten groeien?

[28] Heeft de regen een vader? Of wie brengt de druppels van de dauw voort?

[29] Uit wiens buik komt het ijs naar buiten? En wie baart de rijp van de hemel?

[30] Het water wordt hard als een steen, en het oppervlak van de watervloed raakt vastgevroren.

[31] Kunt u de banden van het Zevengesternte vastbinden, of de ketenen van de Orion losmaken?

[32] Kunt u de Mazzarot tevoorschijn laten komen op zijn tijd, en kunt u de Wagen met zijn kinderen leiden?

[33] Kent u de verordeningen van de hemel, of kunt u op aarde zijn beleid bepalen?

[34] Kunt u uw stem tot de wolken verheffen, zodat een overvloed van water u overdekt?

[35] Kunt u bliksemflitsen sturen, zodat zij gaan, en tegen u zeggen: Zie, hier zijn wij?

[36] Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd? Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?

[37] Wie kan de wolken met wijsheid tellen? En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,

[38] zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is, en de kluiten aan elkaar kleven?

Job — Chapters