Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:30

[1] Niemand is zo onverschrokken dat hij hem wakker maakt; wie is dan degene die staande kan blijven voor Mijn aangezicht?

[2] Wie treedt Mij tegemoet, zodat Ik het hem zou vergelden? Wat onder heel de hemel is, is van Mij.

[3] Ik zal niet zwijgen over zijn ledematen, over zijn geweldige kracht, en over de fraaiheid van zijn gestalte.

[4] Wie zou de bovenkant van zijn gewaad durven opslaan? Wie durft zijn dubbele pantser te benaderen?

[5] Wie kan de deuren van zijn gezicht openen? Rondom zijn tanden is verschrikking.

[6] Zeer machtig zijn zijn sterke schilden, elk gesloten als met een nauwsluitend zegel.

[7] Het ene zit zo dicht op het andere, dat de wind er niet tussen kan komen.

[8] Zij kleven aan elkaar, zij grijpen in elkaar en kunnen niet gescheiden worden.

[9] Zijn niesen laat een licht schijnen, en zijn ogen zijn als de oogleden van de dageraad.

[10] Uit zijn bek komen fakkels, vurige vonken ontsnappen eruit.

[11] Uit zijn neusgaten komt rook, zoals bij een kokende ketel en een smeulend riet.

[12] Zijn adem zet kolen in brand, uit zijn bek komt een vlam.

[13] In zijn nek woont kracht; verschrikking springt voor hem uit.

[14] De stukken van zijn vlees kleven samen; het is aan hem vastgegoten, onbeweeglijk.

[15] Zijn hart is hard als een steen, ja, hard als de onderste molensteen.

[16] Als hij zich verheft, zijn de sterken bevreesd; als hij doorbreekt, raken zij buiten zichzelf.

[17] Treft iemand hem met het zwaard, dat houdt geen stand; geen speer, lans of pijl.

[18] Hij beschouwt ijzer als stro, en brons als verrot hout.

[19] Een pijl jaagt hem niet op de vlucht; slingerstenen worden voor hem veranderd in stoppels.

[20] Knuppels worden door hem beschouwd als stoppels, hij lacht om het trillen van de werpspies.

[21] Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich als een dorsslede uit op de modder.

[22] Hij laat de diepte koken als een pot; hij maakt de zee als een ziedende mengketel.

[23] Achter zich verlicht hij het pad; men houdt de watervloed voor zilverwit haar.

[24] Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder angst te zijn.

[25] Hij kijkt neer op alles wat hoog is, hij is koning over alle trotse jonge dieren.

Job — Chapters