Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:59

[1] Kunt u voor de leeuwin op prooi jagen en het verlangen van de jonge leeuwen vervullen,

[2] als zij zich bukken in de holen, en in hun schuilplaats zitten te loeren?

[3] Wie bereidt voor de raaf zijn voedsel, als zijn jongen om hulp roepen tot God, als zij ronddwalen omdat er geen eten is?

[4] Weet u de tijd waarop de berggeiten baren? Hebt u gezien dat de hinden jongen werpen?

[5] Kunt u de maanden tellen die zij vol moeten maken? En weet u de tijd van hun baren?

[6] Zij krommen zich en werpen hun jongen, hun weeën drijven hun vrucht uit.

[7] Hun jongen worden sterk, ze worden groot in het veld; ze gaan weg en komen niet meer bij hen terug.

[8] Wie heeft de wilde ezel vrij laten gaan? En wie heeft de banden van de woudezel losgemaakt?

[9] Ik heb hem de wildernis als zijn huis gegeven, en de zoutvlakte als zijn woning.

[10] Hij lacht om het rumoer van de stad; het luide geroep van de slavendrijver hoort hij niet.

[11] Hij speurt de bergen af, dat is zijn weide; en hij zoekt naar alles wat maar groen is.

[12] Zou de wilde os u willen dienen? Zou hij overnachten bij uw kribbe?

[13] Kunt u de wilde os met zijn eigen touw vastbinden om voren te trekken? Zou hij de dalen achter u eggen?

[14] Vertrouwt u op hem, omdat zijn kracht groot is? Laat u uw arbeid aan hem over?

[15] Vertrouwt u hem dat hij uw zaad zal terugbrengen en zal verzamelen voor uw dorsvloer?

[16] De vleugels van de struisvogel klapwieken vrolijk, net als de veren van de ooievaar en het ander gevederte.

[17] Maar zij laat haar eieren achter in de aarde, en verwarmt ze in het stof,

[18] en vergeet dat een voet ze kan breken, en dat de dieren van het veld ze kunnen vertrappen.

[19] Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn; zij is zonder angst of haar inspanning voor niets is.

[20] Want God heeft haar de wijsheid onthouden, en heeft haar niets aan inzicht toebedeeld.

[21] Maar als het tijd is, richt zij zich op in de hoogte; zij lacht om het paard en zijn berijder.

[22] Kunt u het paard kracht geven? Kunt u zijn nek met manen bekleden?

[23] Laat u het springen als een sprinkhaan? De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking.

[24] Het schraapt in de dalgrond en het is vrolijk in zijn kracht, en het trekt uit, de wapens tegemoet.

[25] Het lacht om de angst en is niet ontsteld, en keert niet om vanwege het zwaard.

[26] De pijlkoker klettert tegen hem aan, het ijzer van de werpspies en de speer.

[27] Al trillend en briesend verslindt het de aarde, en is niet te houden als het geluid van de bazuin klinkt.

[28] Bij elke bazuinklank zegt het: Ha! en van verre ruikt het de strijd, en het hoort het tieren van de vorsten en het krijgsgeschreeuw.

[29] Is het vanwege uw inzicht dat de valk vliegt, en zijn vleugels uitspreidt naar het zuiden?

[30] Is het op uw bevel dat de arend zich verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?

[31] Hij woont en overnacht in de rots, op de punt van een rots, een vesting.

[32] Daarvandaan speurt hij naar voedsel; zijn ogen zien van veraf.

[33] Zijn jongen slurpen bloed; en waar dodelijk gewonden liggen, daar is hij.

[34] En deHEERE antwoordde Job en zei:

[35] Zal hij die een rechtszaak voert met de Almachtige, Hem onderwijzen? Laat hij die God ter verantwoording roept, daarop antwoorden.

[36] Toen antwoordde Job deHEERE en zei:

[37] Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.

[38] Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden; twee keer, maar ik zal niet verdergaan.

Job — Chapters