Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:48

[1] Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:

[2] Hoelang duurt het, voor jullie een einde aan jullie woorden maken? Krijg inzicht, en daarna zullen wij spreken.

[3] Waarom worden wij als vee beschouwd, en zijn wij onrein in jullie ogen?

[4] Jij, die je ziel verscheurt in je toorn – zou de aarde omwille van jou verlaten worden, en zou een rots van zijn plaats gehaald worden?

[5] Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd, en de vlam van zijn vuur zal niet meer schijnen.

[6] Het licht wordt in zijn tent verduisterd, en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.

[7] Zijn krachtige schreden worden belemmerd, en zijn eigen raad werpt hem neer.

[8] Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen, en hij wandelt over een vlechtwerk van een vangkuil.

[9] Een strik grijpt hem bij de hiel, een valstrik overweldigt hem.

[10] Een touw is voor hem in de aarde verborgen, een val is voor hem verborgen op het pad.

[11] Verschrikkingen jagen hem rondom angst aan en jagen zijn voeten voort.

[12] Zijn kracht zal tot honger worden, en de ondergang staat klaar aan zijn zijde.

[13] De eerstgeborene van de dood zal de stukken van zijn huid verteren, zijn ledematen zal hij verteren.

[14] Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden; dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.

[15] In zijn tent woont wat niet van hem is; over zijn woning zal zwavel gestrooid worden.

[16] Vanonder verdorren zijn wortels, en vanboven worden zijn twijgen afgesneden.

[17] De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan, en hij zal geen naam hebben op de straten.

[18] Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.

[19] Hij zal geen zoon of kleinzoon hebben onder zijn volk, en niemand zal in zijn woning overblijven.

[20] Over de dag van zijn ondergang zullen zij die na hem komen, ontzet zijn, en de ouderen zullen met schrik bevangen worden.

[21] Zeker, zo vergaat het de woning van wie onrecht doet, en dit is de plaats van hem die God niet kent.

Job — Chapters