Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:42

[1] Roep maar – zal er iemand zijn die je antwoordt? En tot wie van de heiligen wil je je wenden?

[2] Want de toorn brengt de dwaas om, en de na-ijver doodt de onnozele.

[3] Ik heb zelf een dwaas wortel zien schieten, maar meteen vervloekte ik zijn woning.

[4] Zijn zonen zijn ver bij de redding vandaan; zij worden verbrijzeld in de poort, en er is niemand die redt.

[5] De hongerige eet zijn oogst op, die hij zelfs tussen de dorens vandaan haalt; een valstrik slokt hun vermogen op.

[6] Want verdriet komt niet uit het stof voort, en moeite komt niet op uit de aardbodem.

[7] Maar de mens wordt voor de moeite geboren, zoals vonken uit het vuur omhoogvliegen.

[8] Maar ik zou zelf God zoeken, en mijn woord tot God richten.

[9] Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden; wonderen, die niet te tellen zijn.

[10] Hij geeft regen op de aarde, en zendt water op de velden,

[11] om de nederigen op een hoogte te plaatsen, om de treurenden in een veilige vesting van heil te zetten.

[12] Hij verijdelt de plannen van de sluwen, zodat hun handen niets wezenlijks kunnen uitrichten.

[13] Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid, zodat de raad van hen die slinks zijn, mislukt.

[14] Overdag ontmoeten zij duisternis, op de middag tasten zij rond zoals in de nacht.

[15] Maar de arme verlost Hij van het zwaard dat uit hun mond gaat, en van de hand van de sterke.

[16] Zo is er hoop voor de arme, en onrecht sluit zijn mond.

[17] Zie, welzalig is de sterveling die door God gestraft wordt; verwerp daarom de bestraffing van de Almachtige niet.

[18] Want Hij doet smart aan én Hij verbindt; Hij verwondt én Zijn handen genezen.

[19] In zes benauwdheden zal Hij je redden, en in zeven zal het kwaad je niet treffen.

[20] In de honger verlost Hij je van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.

[21] Voor de gesel van de tong zul je verborgen zijn, en je zult niet bevreesd zijn voor de verwoesting, als die komt.

[22] Om de verwoesting en om de honger zul je lachen, en voor de wilde dieren van de aarde zul je niet bevreesd zijn.

[23] Want je hebt een verbond met de stenen van het veld, en je hebt vrede met de wilde dieren van de aarde.

[24] Je zult ondervinden dat je tent in vrede is; je zult zorgen voor je woning, en daarin niet falen.

[25] Je zult ondervinden dat je nageslacht talrijk is, en je nakomelingschap als het gewas van de aarde.

[26] Je zult in hoge ouderdom in het graf komen, zoals een korenhoop op zijn tijd binnengehaald wordt.

[27] Zie dit, wij hebben het onderzocht, zo is het; en jij, luister ernaar en weet het voor jezelf.

Job — Chapters