[1] Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:
[2] Moet de veelheid van woorden niet beantwoord worden, en heeft een man die veel praat, daarmee ook gelijk?
[3] Zou je holle praat mensen tot zwijgen kunnen brengen, en zou jij spotten zonder dat iemand je beschaamd maakt?
[4] Want je hebt gezegd: Mijn inzicht is zuiver, en ik ben rein in Uw ogen.
[5] Maar och, sprak God Zelf maar, en opende Hij Zijn lippen maar tegen je.
[6] Maakte Hij jou de verborgenheden van de wijsheid maar bekend, want de wijsheid is nog dubbel zo groot! Weet dat God terwille van jou veel van je ongerechtigheid vergeet.
[7] Kun jij vinden wat God onderzoekt? Kun jij de volmaaktheid van de Almachtige doorgronden?
[8] Zij is hoger dan de hemel, wat kun jij daar doen? Zij is dieper dan de hel, wat kun jij daarvan weten?
[9] Haar reikwijdte is langer dan de aarde, en breder dan de zee.
[10] Als Hij voorbijgaat en iemand laat opsluiten of bij Zich roept, wie zal Hem daarvan afhouden?
[11] Want Híj kent de valsaards en Hij ziet het onrecht; zou Hij er dan niet op letten?
[12] Dan zou een verstandeloos mens verstandig worden, en het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden.
[13] Als jíj je hart bereid hebt, spreid dan je handen naar Hem uit.
[14] Als er onrecht in je hand is, doe dat ver weg; en laat er geen onrecht in je tenten wonen.
[15] Ja, dan kun je je gezicht opheffen uit alle ellende, dan zul je vast staan en niet bevreesd zijn.
[16] Voorzeker, jíj zult de moeite vergeten, je zult er net zomin aan denken als aan water dat langsgestroomd is.
[17] Helderder dan de middagzon zal je leven opgaan; wat donker is, zal als de morgen zijn.
[18] Je zult vertrouwen, omdat er hoop is; je zult rondspeuren, maar je kunt onbezorgd gaan liggen.
[19] Je zult neerliggen en niemand zal je schrik aanjagen; velen zullen trachten je gunstig te stemmen.
[20] Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, voor hen is de mogelijkheid tot ontvluchten verloren. Het uitblazen van de ziel is hun enige hoop.