Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:13

[1] De mens, geboren uit een vrouw, is kort van dagen en verzadigd van onrust.

[2] Als een bloem komt hij op en hij verwelkt; hij vlucht als een schaduw en houdt geen stand.

[3] Ja, voor zo iemand doet U Uw ogen open, en U brengt mij met U in het gericht.

[4] Wie zal een reine geven uit een onreine? Niet één.

[5] Als zijn dagen vastgesteld zijn, het getal van zijn maanden bij U bekend is, en U zijn grenzen bepaald hebt, die hij niet kan overschrijden,

[6] wend Uw blik dan van hem af, zodat hij rust heeft en als een dagloner van zijn dag geniet.

[7] Want voor een boom is er, als hij omgehakt wordt, nog hoop dat hij zich weer vernieuwt, en zijn jonge loten niet ophouden uit te lopen.

[8] Al wordt zijn wortel in de aarde oud, en sterft zijn stronk in het stof,

[9] bij het ruiken van water zal hij weer uitlopen, en maakt hij weer een twijg, zoals een plant.

[10] Maar een man sterft en is krachteloos; als een mens de geest geeft, waar is hij dan?

[11] Het water loopt weg uit een meer, en een rivier verzandt en valt droog.

[12] Zo gaat een mens liggen, en hij staat niet meer op. Totdat de hemel er niet meer is, zullen zij niet ontwaken of opgewekt worden uit hun slaap.

[13] Och, verstopte U mij maar in het graf, verborg U mij maar totdat Uw toorn zich afkeert; stelde U maar een grens voor mij vast en dacht U maar aan mij!

[14] Als een man gestorven is, zal hij dan weer levend worden? Dan zou ik alle dagen van mijn strijd hopen, totdat er voor mij verandering zou komen.

[15] U zou roepen, en ík zou U antwoorden, U zou verlangen naar het werk van Uw handen.

[16] Maar nu telt U mijn voetstappen; U bewaart mij niet vanwege mijn zonde.

[17] Mijn overtreding is in een buidel verzegeld, en U houdt mijn ongerechtigheid bijeen.

[18] Zeker, een berg die valt, vergaat, en een rots wordt van zijn plaats gehaald.

[19] Water vermaalt stenen, het stof van de aarde overdekt het gewas, dat vanzelf opkomt; zo doet U de hoop van de sterveling vergaan.

[20] U overweldigt hem voor altijd, en hij gaat heen; U verandert zijn gezicht en stuurt hem weg.

[21] Zijn kinderen krijgen aanzien en hij weet het niet; of zij worden veracht, en hij let niet op hen.

[22] Maar zijn vlees aan hem lijdt pijn; en zijn ziel binnen in hem rouwt.

Job — Chapters