Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:15

[1] Ja, hierover beeft mijn hart, en het springt op van zijn plaats.

[2] Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem, en naar het geluid dat uit Zijn mond komt!

[3] Hij laat het los onder heel de hemel, en Zijn licht tot over de einden van de aarde.

[4] Daarna brult Hij met Zijn stem; Hij dondert met de stem van Zijn majesteit. Hij houdt die dingen niet terug, als Zijn stem gehoord wordt.

[5] God dondert wonderbaar met Zijn stem; Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.

[6] Want Hij zegt tegen de sneeuw: Wees op de aarde. Ook tegen de slagregen van de regen; en dan is er de slagregen van Zijn sterke regens.

[7] Hij verzegelt de hand van ieder mens, zodat alle mensen Zijn werk kennen.

[8] De wilde dieren gaan naar hun schuilplaatsen, en blijven in hun holen.

[9] Uit Zijn kamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden komt de kou.

[10] Door de adem van God geeft Hij ijs, zodat de brede wateren verstijven.

[11] Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht; Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.

[12] Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit, om te doen alles wat Hij hun gebiedt op het oppervlak van de wereld, op de aarde.

[13] Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot een roede, hetzij tot goedertierenheid.

[14] Hoor dit aan, Job! Blijf staan en let op de wonderen van God.

[15] Weet je hoe God ze rangschikt, en hoe Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?

[16] Weet je hoe de wolken zweven? Ken je de wonderen van Hem Die volmaakt in kennis is?

[17] Weet je hoe je kleren warm worden als Hij de aarde stil maakt vanuit het zuiden?

[18] Heb je samen met Hem de hemel uitgespannen, die vast is als een gegoten spiegel?

[19] Maak ons bekend wat wij tegen Hem moeten zeggen, want wij kunnen niets voor Hem uiteenzetten vanwege de duisternis.

[20] Zal het aan Hem verteld worden, als ik zo spreek? Als iemand dat zegt, zal hij zeker verslonden worden.

[21] Nu ziet men het licht niet, het schijnt in de wolken, maar als de wind langsgaat, zuivert hij die.

[22] Uit het noorden komt goud; bij God is een ontzagwekkende majesteit!

[23] De Almachtige, wij kunnen Hem niet vinden; Hij is groot van kracht en recht en hoogst rechtvaardig; Hij onderdrukt niet.

[24] Daarom vrezen de mensen Hem; maar alle eigenwijzen van hart ziet Hij niet aan.

Job — Chapters