Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:12

[1] Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

[2] Als wij een woord tot jou trachten te richten, bezwijk je dan? Echter, wie zou nu zijn woorden kunnen inhouden?

[3] Zie, je hebt velen onderwezen, en je hebt slappe handen versterkt.

[4] Je woorden hebben degene die struikelde, opgericht, en de knikkende knieën heb je sterk gemaakt.

[5] Maar nu overkomt het jezelf, en je bezwijkt; het treft je, en je wordt door schrik overmand.

[6] Is je vrezen van God dan niet je verwachting, de oprechtheid van je wegen je hoop?

[7] Denk er toch aan: wie is ooit als onschuldige omgekomen, en waar zijn er ooit oprechten uitgeroeid?

[8] Maar zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen en moeite zaaien, oogsten dat ook.

[9] Door de adem van God komen zij om, en door het blazen van Zijn neus worden zij vernietigd.

[10] Het gebrul van de leeuw, de stem van de felle leeuw, maar de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken.

[11] De leeuw komt om, omdat er geen prooi is, en de welpen van een leeuwin worden verspreid.

[12] Verder, er is in het geheim een woord tot mij gebracht; mijn oor heeft er een fluistering van opgevangen,

[13] in de beangstigende gedachten van de visioenen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt.

[14] Angst en huiver kwamen over mij, en zij joegen de veelheid van mijn beenderen angst aan.

[15] Een geest trok aan mijn gezicht voorbij; hij deed het haar van mijn lichaam te berge rijzen.

[16] Hij bleef staan, maar ik herkende zijn gedaante niet; er was een gestalte voor mijn ogen. Er was stilte, en toen hoorde ik een stem, die zei:

[17] Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God? Zou een man rein zijn voor zijn Maker?

[18] Zie, zelfs Zijn dienaren vertrouwt Hij niet, en Zijn engelen legt Hij dwaling ten laste.

[19] Hoeveel te meer dan mensen, die in lemen huizen wonen, waarvan het fundament in het stof is? Zij worden nog eerder verbrijzeld dan een mot.

[20] Van de morgen tot de avond worden zij verpletterd; onopgemerkt komen zij voor altijd om.

[21] Hun tentkoord wordt bij hen losgetrokken; zij sterven, maar niet in wijsheid.

Job — Chapters