Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:27

[1] Maar Job antwoordde en zei:

[2] Luister aandachtig naar mijn woorden, en laat dat jullie vertroostingen zijn.

[3] Verdraag mij, nu zal ík spreken; en nadat ik gesproken heb, kunnen jullie spotten.

[4] Wat mij betreft, is mijn klacht tot een mens gericht? Maar al zou het zo zijn, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

[5] Wend je tot mij, en wees ontzet, en leg de hand op de mond.

[6] Ja, als ik hieraan denk, word ik door schrik overmand, en huiver grijpt mijn vlees aan:

[7] Waarom leven de goddelozen, worden zij oud, en wordt zelfs hun vermogen groot?

[8] Hun nageslacht is blijvend bij hen en met hen, en hun nakomelingen zijn voor hun ogen.

[9] Hun huizen hebben vrede en zijn zonder angst, en de roede van God is niet op hen.

[10] Zijn stier bespringt en mist niet; zijn koe kalft en heeft geen misdracht.

[11] Zij laten hun jonge kinderen gaan als een kudde, en hun kinderen huppelen.

[12] Zij verheffen hun stem met de tamboerijn en de harp, en zij verblijden zich op het geluid van de fluit.

[13] Zij slijten hun dagen in het goede; en in een ogenblik dalen zij af in het graf.

[14] Toch zeggen zij tegen God: Wijk van ons, want wij vinden geen vreugde in de kennis van Uw wegen.

[15] Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat het ons dat wij bij Hem aandringen?

[16] Maar zie, hun welvaart is niet in hun eigen hand; het voornemen van de goddelozen is ver van mij.

[17] Hoe vaak gebeurt het dat de lamp van de goddelozen wordt uitgedoofd, en hun ondergang hun overkomt; dat God hun in Zijn toorn smarten uitdeelt,

[18] dat zij worden als stro voor de wind, en als kaf, dat de wervelwind wegneemt?

[19] Of bergt God de straf voor zijn ongerechtigheid voor zijn kinderen op? Laat Hij het hem vergelden, zodat hij het merkt.

[20] Laten zijn ogen zijn ondergang zien, en laat hij drinken van de grimmigheid van de Almachtige!

[21] Want wat voor vreugde vindt hij in zijn huis na hem, als het getal van zijn maanden is afgesneden?

[22] Kan men God kennis bijbrengen, terwijl Hij hen die hoog zijn, oordeelt?

[23] De een sterft terwijl zijn kracht nog ongebroken is, terwijl hij geheel zonder zorgen en gerust is.

[24] Zijn vaten zijn vol melk, en het merg van zijn beenderen is doordrenkt.

[25] De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft niet van het goede gegeten.

[26] Zij liggen samen in het stof, en de maden overdekken hen.

[27] Zie, ik ken jullie gedachten, en de listige plannen waarmee jullie mij geweld aandoen.

[28] Want jullie zeggen: Waar is het huis van de edele, en waar is de tent, de woning van de goddelozen?

[29] Hebben jullie het niet gevraagd aan de voorbijgangers op de weg, en erkennen jullie hun aanwijzingen niet?

[30] Want de kwaaddoener wordt gespaard voor de dag van de ondergang; voor de dag van de verbolgenheden worden zij in veiligheid gebracht.

[31] Wie vertelt hem in zijn gezicht welke weg hij gaat? Als hij wat doet, wie vergeldt het hem?

[32] Uiteindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en men waakt over zijn grafheuvel.

[33] De kluiten van het dal zijn hem aangenaam, en alle mensen trekken achter hem aan; en zij die vóór hem geweest zijn, zijn niet te tellen.

[34] Wat troosten jullie mij dan met lege woorden! Van jullie antwoorden blijft alleen ontrouw over.

Job — Chapters