Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:14

[1] Verder antwoordde Elihu en zei:

[2] Beschouw je dat als recht, dat je gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meer dan die van God?

[3] Want je zegt: Wat baat het je? In welk opzicht geeft dit mij meer voordeel dan wanneer ik zondig?

[4] Ík zal met woorden antwoord geven, en je vrienden met je.

[5] Kijk naar de hemel en zie, en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.

[6] Als je zondigt, wat doe je dan tegen Hem? Als je overtredingen talrijk zijn, wat doe je Hem daarmee aan?

[7] Als je rechtvaardig bent, wat geef je Hem daarmee, of wat ontvangt Hij uit jouw hand?

[8] Je goddeloosheid zou zijn tegen een man zoals jij, en je rechtvaardigheid zou zijn ten bate van een mensenkind.

[9] Vanwege de vele verdrukkingen laten zij de onderdrukten om hulp roepen; zij schreeuwen het uit vanwege de arm van de groten.

[10] Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die psalmen geeft in de nacht?

[11] Die ons meer wijsheid bijbrengt dan de dieren op de aarde, en ons wijzer maakt dan de vogels in de lucht?

[12] Daar roepen zij, maar Hij antwoordt niet, vanwege de trots van de kwaaddoeners.

[13] Zeker zal God de leugen niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.

[14] Zo is het ook wanneer je zegt dat je Hem niet waarneemt. Er is echter een rechtszaak voor Zijn aangezicht, wacht dan op Hem.

[15] Welnu, omdat Zijn toorn niet gestraft heeft, en omdat Hij weinig aandacht aan de dwaasheid heeft geschonken,

[16] heeft Job met vluchtigheid zijn mond geopend, en zonder kennis woorden vermenigvuldigd.

Job — Chapters