[1] Mijn ziel walgt van mijn leven; ik laat mijn klacht de vrije loop; ik spreek in de bitterheid van mijn ziel.
[2] Ik zal tegen God zeggen: Verklaar mij niet schuldig; laat mij weten waarover U mij ter verantwoording roept.
[3] Doet het U goed dat U onderdrukt, dat U de inspanning van Uw handen verwerpt, terwijl U over het voornemen van de goddelozen licht laat schijnen?
[4] Hebt U ogen van een schepsel? Ziet U zoals een sterveling ziet?
[5] Zijn Uw dagen als de dagen van een sterveling? Zijn Uw jaren als de dagen van een man,
[6] dat U mijn ongerechtigheid zo onderzoekt, en naar mijn zonde speurt?
[7] Het is U bekend dat ik niet schuldig ben; maar er is niemand die redt uit Uw hand.
[8] Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt. Zij zijn beide om mij heen, en U verslindt mij.
[9] Denk er toch aan dat U mij als leem gemaakt hebt, en mij tot stof zult laten terugkeren.
[10] Hebt U mij niet als melk uitgegoten, en hebt U mij niet als kaas laten stremmen?
[11] Met huid en vlees hebt U mij bekleed; met beenderen en pezen hebt U mij samengeweven.
[12] U hebt mij leven en goedertierenheid geschonken, en Uw zorg heeft mijn geest bewaard.
[13] Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart; ik weet dat dit bij U is.
[14] Als ik zondig, merkt U mij op, en vanwege mijn ongerechtigheid houdt U mij niet voor onschuldig.
[15] Als ik schuldig ben, wee mij! En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen, ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!
[16] Als mijn hoofd zich opheft, jaagt U op mij als een felle leeuw; U keert terug en betoont U wonderlijk tegenover mij.
[17] U brengt nieuwe getuigen tegen mij naar voren, U maakt Uw toorn tegen mij groter; telkens nieuwe legers stellen zich tegen mij op.
[18] Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen? Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!
[19] Ik zou zijn alsof ik er niet geweest was; vanuit de buik zou ik naar het graf gebracht zijn.
[20] Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, laat Hij Zich van mij afkeren, zodat ik mij een beetje kan verkwikken,
[21] voordat ik wegga – en niet meer terugkom – naar een land van duisternis en schaduw van de dood,
[22] een stikdonker land, als de duisternis zelf, de schaduw van de dood, zonder enige orde; het licht schijnt er als duisternis.