[1] Toen hielden deze drie mannen op Job te antwoorden, omdat hij in zijn eigen ogen rechtvaardig was.
[2] Toen ontstak de woede van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontstak zijn woede, omdat die zichzelf rechtvaardigde tegenover God.
[3] Zijn woede ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij geen antwoord vonden, maar Job toch schuldig verklaarden.
[4] Maar Elihu had met spreken gewacht op Job, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
[5] Toen Elihu echter zag dat er geen antwoord was in de mond van die drie mannen, ontstak zijn woede.
[6] Daarom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei: Ik ben jonger van dagen, maar jullie zijn stokoud; daarom was ik beschroomd en bevreesd om jullie mijn gevoelen te vertellen.
[7] Ik zei: Laat de dagen spreken, en de veelheid van jaren wijsheid bekendmaken.
[8] Voorwaar, het is de Geest van God in de sterveling, en de adem van de Almachtige, die hen verstandig maakt.
[9] Niet de velen van jaren zijn wijs, niet de oude mensen begrijpen het recht.
[10] Daarom zeg ik: Luister naar mij; ook ik zal mijn gevoelen vertellen.
[11] Zie, ik heb gewacht op jullie woorden; ik heb al jullie inzichten aangehoord tot jullie naar woorden moesten zoeken.
[12] Ik heb op jullie gelet, en zie, er is niemand die Job kon overtuigen, niemand van jullie die zijn woorden beantwoordde.
[13] Ik zeg dit opdat jullie niet zeggen: Wij hebben de wijsheid gevonden; God stoot hem uit, geen mens.
[14] Nu heeft hij geen woorden tot mij gericht, en ik zal hem geen antwoord geven met jullie woorden.
[15] Zij zijn ontsteld, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich afgezet.
[16] Ik heb gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil, zij antwoorden niet meer.
[17] Ook ik zal op mijn beurt antwoorden, ook ik zal mijn gevoelen vertellen.
[18] Want ik ben vol woorden; de geest in mijn binnenste benauwt mij.
[19] Zie, mijn binnenste is als wijn die niet geopend is; als nieuwe leren zakken zou hij scheuren.
[20] Ik zal spreken, zodat ik voor mijzelf lucht krijg; ik zal mijn lippen openen, zodat ik kan antwoorden.
[21] O, laat ik voor niemand partijtrekken, en geen mens naar de mond praten!
[22] Want ik kan niemand naar de mond praten; meteen zou mijn Maker mij wegnemen.