Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:51

[1] Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen; hoe kan ik dan begerig naar een jonge vrouw kijken?

[2] Want wat is het deel van God van boven, of het eigendom van de Almachtige vanuit de hoogten?

[3] Is het niet ondergang voor wie het verkeerde doet, en ongeluk voor wie onrecht bedrijven?

[4] Ziet Hij mijn wegen niet, en telt Hij niet al mijn voetstappen?

[5] Als ik met leugens heb omgegaan, en mijn voet zich gehaast heeft naar bedrog,

[6] laat Hij mij dan wegen in een zuivere weegschaal, en God zal mijn oprechtheid weten.

[7] Als mijn schreden van de weg zijn afgeweken, en mijn hart mijn ogen gevolgd is, en er iets aan mijn handen kleeft,

[8] dan mag ik zaaien, maar een ander eten, en wat bij mij uitspruit, mag ontworteld worden!

[9] Als mijn hart verleid is geweest om naar een andere vrouw te gaan, of als ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste,

[10] laat mijn vrouw dan koren malen voor een ander, en laten anderen zich over haar heenbuigen!

[11] Dat zou namelijk schandelijk gedrag zijn, en het is een misdaad bij de rechters.

[12] Dat zou namelijk een vuur zijn dat verteert tot in het verderf, en dat al mijn opbrengst ontwortelt.

[13] Als ik het recht van mijn slaaf of van mijn slavin versmaad heb, wanneer zij een geschil met mij hadden,

[14] wat zal ik dan doen als God opstaat? En als Hij onderzoekt, wat zal ik Hem dan antwoorden?

[15] Heeft Hij Die mij in de buik maakte, ook hem niet gemaakt, en heeft Eén ons niet in de baarmoeder gevormd?

[16] Als ik de armen iets van hun wens onthouden heb, of de ogen van de weduwe heb laten versmachten;

[17] als ik mijn stuk brood alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft

[18] – ja, hij is vanaf mijn jeugd bij mij opgegroeid, als bij een vader, en de weduwe heb ik vanaf de buik van mijn moeder geleid.

[19] Als ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en omdat de arme geen bedekking had;

[20] als zijn heupen mij niet gezegend hebben, omdat hij zich verwarmde met de wol van mijn schapen.

[21] Als ik mijn vuist gezwaaid heb tegen de wees, omdat ik zag dat er hulp voor mij in de poort was,

[22] laat dan mijn schouder van het schouderblad vallen, en laat mijn arm dan van zijn pijp afbreken!

[23] Want het onheil van God joeg mij angst aan, en vanwege Zijn hoogheid kon ik niets.

[24] Als ik mijn hoop op goud gesteld heb, of tot het fijne goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen;

[25] als ik mij verblijd heb, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had.

[26] Als ik het zonlicht gezien heb, wanneer het scheen, of de maan, die stralend voortging,

[27] en mijn hart in het geheim verleid werd, en mijn hand mijn mond gekust heeft!

[28] Ook dat is een misdaad bij de rechter, want dan zou ik God van boven verloochend hebben.

[29] Als ik mij verblijd heb over de verdrukking van hem die mij haatte, en opgewekt ben geweest wanneer het kwaad hem trof!

[30] Ik heb zelfs mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, door met een vervloeking zijn ziel op te eisen.

[31] Als de mensen van mijn tent niet hebben gezegd: Wie werd er níet verzadigd van zijn vlees?

[32] De vreemdeling overnachtte niet op de straat; ik opende mijn deuren voor de reiziger.

[33] Als ik, zoals Adam, ooit mijn overtredingen bedekt heb, door mijn ongerechtigheid in mijn binnenste te verbergen,

[34] omdat ik bevreesd was voor een grote menigte, en de verachting van de geslachten mij ontsteld zou doen raken, zodat ik zweeg en de deur niet uitging!

[35] Och, had ik maar iemand die naar mij wilde luisteren! Zie, mijn ondertekening! Laat de Almachtige mij antwoorden, en laat mijn Tegenstander een aanklacht op schrift stellen.

[36] Zou ik die dan niet op mijn schouder dragen? Ik zou die op mij binden als een kroon.

[37] Het getal van mijn voetstappen zou ik Hem bekendmaken; als een vorst zou ik tot Hem naderen.

[38] Als mijn land ooit tegen mij geroepen heeft, en zijn voren gezamenlijk hebben geweend;

[39] als ik zijn volle opbrengst gegeten heb zonder geld uit te keren, en de ziel van de pachters ervan heb laten zuchten,

[40] laat dan in plaats van tarwe distels opkomen, en in plaats van gerst giftig onkruid! Hier eindigen de woorden van Job.

Job — Chapters