[1] Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.
[2] Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met en.
[3] Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
[4] In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
[5] Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
[6] Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.
[7] Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
[8] Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;
[9] Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
[10] Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
[11] Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!