[1] Een, een lied, op den sabbatdag. Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam zinge, o Allerhoogste!
[2] Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
[3] Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
[4] Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
[5] O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
[6] Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;
[7] Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.
[8] Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!
[9] Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
[10] Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
[11] En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.
[12] De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.
[13] Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.
[14] In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,
[15] Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.