Skip to content
Opens in a new window

[1] Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;

[2] Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.

[3] Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.

[4] De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.

[5] Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.

[6] Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;

[7] Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;

[8] En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.

Psalmen — Chapters