[1] Een, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
[2] Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.
[3] Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten.
[4] Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.
[5] God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
[6] zingt Gode, zingt! zingt onzen Koning, zingt!
[7] Want God is een Koning der ganse aarde; zingt met een onderwijzing!
[8] God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.
[9] De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!