Skip to content
Opens in a new window

[1] Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een, voor de kinderen van Korach. Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!

[2] Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.

[3] Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!

[4] Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.

[5] Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.

[6] Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

[7] Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

[8] HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.

[9] O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.

[10] Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.

[11] Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.

[12] HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.

Psalmen — Chapters