Skip to content
Opens in a new window

[1] Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?

[2] De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

[3] Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

[4] Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

[5] Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.

[6] Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.

[7] Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

[8] Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.

[9] Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

[10] Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!

[11] Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.

[12] Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.

Psalmen — Chapters