Skip to content
Opens in a new window

[1] Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

[2] Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

[3] Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

[4] In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

[5] Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

[6] Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

[7] Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

[8] Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

[9] Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

[10] In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.

[11] Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

[12] O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden;

[13] Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?

Psalmen — Chapters