Skip to content
Opens in a new window

[1] Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.

[2] Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht, die op U betrouwt.

[3] Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.

[4] Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel.

[5] Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, HEERE!

[6] HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.

[7] In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.

[8] Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.

[9] Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.

[10] Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.

[11] Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.

[12] Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;

[13] Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.

[14] O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.

[15] Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.

[16] Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.

[17] Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.

Psalmen — Chapters