[1] Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Al-tascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk. Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
[2] Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.
[3] Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
[4] Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
[5] Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
[6] Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.
[7] Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en zingen.
[8] Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
[9] Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U zingen onder de natien.
[10] Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
[11] Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.