[1] Een van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
[2] Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
[3] En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
[4] Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
[5] En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
[6] Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
[7] Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.
[8] Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;
[9] Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.
[10] En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
[11] Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.
[12] Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.
[13] Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.
[14] De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.
[15] Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.
[16] Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
[17] Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.
[18] En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
[19] Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.
[20] Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.
[21] Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
[22] Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
[23] Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.
[24] Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.
[25] Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.
[26] Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
[27] Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
[28] Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.
[29] Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
[30] Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
[31] Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.