Skip to content
Opens in a new window

[1] Een, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,

[2] Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!

[3] Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.

[4] Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.

[5] Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?

[6] Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;

[7] Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;

[8] (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);

[9] Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.

[10] Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.

[11] Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.

[12] De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

[13] Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.

[14] Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.

[15] Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.

[16] Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;

[17] Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.

[18] Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;

[19] Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.

[20] De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

Psalmen — Chapters