Skip to content
Opens in a new window

[1] Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

[2] Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;

[3] Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

[4] Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

[5] Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;

[6] Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;

[7] En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;

[8] En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.

[9] (De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)

[10] Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.

[11] En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.

[12] Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.

[13] Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.

[14] En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.

[15] Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

[16] Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

[17] Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

[18] En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

[19] En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

[20] Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?

[21] Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;

[22] Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.

[23] Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;

[24] En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.

[25] Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.

[26] Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;

[27] En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;

[28] En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.

[29] Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

[30] Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,

[31] Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

[32] Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

[33] Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.

[34] Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;

[35] En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.

[36] En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.

[37] Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.

[38] Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.

[39] En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

[40] Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

[41] Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.

[42] Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;

[43] Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;

[44] En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.

[45] Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.

[46] En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.

[47] Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.

[48] Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

[49] Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

[50] Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

[51] En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

[52] En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.

[53] Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.

[54] En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.

[55] En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.

[56] Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

[57] En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.

[58] En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.

[59] God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.

[60] Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.

[61] En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.

[62] En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.

[63] Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.

[64] Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.

[65] Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.

[66] En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

[67] Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.

[68] Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.

[69] En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.

[70] En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;

[71] Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.

[72] Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.

Psalmen — Chapters