Skip to content
Opens in a new window

[1] Een van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;

[2] Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.

[3] Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.

[4] Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.

[5] Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.

[6] Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;

[7] Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.

[8] Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.

Psalmen — Chapters