Skip to content
Opens in a new window

[1] Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Al-tascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.

[2] Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

[3] Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!

[4] Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

[5] Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.

[6] Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

[7] Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

[8] Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.

[9] Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.

[10] De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.

[11] Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

[12] Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.

[13] Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God Heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.

[14] Laat hen dan tegen den avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;

[15] Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.

[16] Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was.

[17] Van U, o mijn Sterkte! zal ik zingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid.

Psalmen — Chapters