[1] Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
[2] Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.
[3] Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.
[4] Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.
[5] Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.
[6] Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.
[7] Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.
[8] Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.
[9] Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.
[10] Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,
[11] Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.
[12] O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.
[13] Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.
[14] Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.
[15] Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.
[16] Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.
[17] O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.
[18] Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.
[19] Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?
[20] Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.
[21] Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.
[22] Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U zingen met de harp, o Heilige Israels!
[23] Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal zingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.
[24] Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.