[1] Een lied, een, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
[2] zingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
[3] Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
[4] De ganse aarde aanbidde U, en zinge U; zij zinge Uw Naam. Sela.
[5] Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
[6] Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
[7] Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
[8] Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
[9] Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.
[10] Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;
[11] Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;
[12] Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
[13] Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
[14] Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
[15] Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
[16] Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
[17] Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
[18] Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.
[19] Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
[20] Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.