Skip to content
Opens in a new window

[1] Voor den opperzangmeester, Al-tascheth; een, een lied, voor Asaf. Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.

[2] Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.

[3] Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.

[4] Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.

[5] Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.

[6] Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;

[7] Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.

[8] Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.

[9] En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs zingen.

[10] En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

Psalmen — Chapters