Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:04

[1] De hoogste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd, Haar zeven pilaren uitgehakt.

[2] Zij heeft Haar vee geslacht, Haar wijn gemengd, ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt.

[3] Zij heeft Haar dienstmeisjes uitgezonden: Zij roept op de toppen van de hoogten van de stad.

[4] Wie is er onverstandig? Laat hij hierheen afwijken. Wie zonder verstand is, tegen hem zegt Zij:

[5] Kom, eet van Mijn brood en drink van de wijn die Ik gemengd heb.

[6] Verlaat de onverstandige dingen en leef, en begeef u op de weg van het inzicht.

[7] Wie een spotter bestraft, laadt schande op zich, en wie een goddeloze terechtwijst, draagt zijn schandvlek.

[8] Wijs een spotter niet terecht, anders zal hij u haten. Wijs een wijze terecht, en hij zal u liefhebben.

[9] Geef onderricht aan een wijze, en hij zal nog wijzer worden, onderwijs een rechtvaardige, en hij zal inzicht vermeerderen.

[10] Het beginsel van wijsheid is de vreze desHEEREN en de kennis van de heiligen is inzicht.

[11] Want door Mij zullen uw dagen talrijk worden, en zullen jaren van leven u worden toegevoegd.

[12] Als u wijs bent, bent u wijs ten bate van uzelf. Bent u een spotter, dan moet u dat alleen dragen.

[13] Vrouwe Dwaasheid is onrustig, louter onverstand: zij heeft nergens weet van.

[14] Zij zit bij de deur van haar huis, op een troon, op de hoogten van de stad

[15] om naar de voorbijgangers op de weg, die rechtdoor willen gaan, te roepen:

[16] Wie ook maar onverstandig is, laat hij van zijn weg hiernaartoe afwijken. Wie zonder verstand is, tegen hem zegt zij:

[17] Gestolen water is zoet, en in het geheim genuttigd brood is aangenaam.

[18] Maar men weet niet dat daar gestorvenen liggen, haar genodigden liggen in de diepten van het graf.

Spreuken — Chapters