Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:50

[1] Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, berg mijn geboden bij jou op.

[2] Neem mijn geboden in acht en leef, en neem mijn onderricht in acht als je oogappel.

[3] Bind ze aan je vingers, schrijf ze op de tafel van je hart.

[4] Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster, en noem het inzicht je bloedverwant,

[5] opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende die jou met haar woorden vleit.

[6] Want door het venster van mijn huis, door mijn traliewerk, zag ik neer.

[7] Ik zag bij de onverstandigen, ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op

[8] die de straat overstak bij haar hoek en voortschreed in de richting van haar huis,

[9] in de schemering, in de avond van de dag, te middernacht en in het donker.

[10] En zie, een vrouw kwam hem tegemoet, uitgedost als een hoer en arglistig van hart.

[11] Zij was onrustig en opstandig, haar voeten bleven niet thuis.

[12] Nu eens op straat, dan weer op de pleinen, zij loerde bij alle hoeken.

[13] Zij greep hem vast en kuste hem. Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:

[14] Ik moet dankoffers brengen, ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.

[15] Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet om je ijverig te zoeken en – daar vond ik je!

[16] Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens, kleurige spreien van Egyptisch linnen.

[17] Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld met mirre, aloë en kaneel.

[18] Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe, laten we samen genieten van grote liefde.

[19] Want mijn man is niet thuis, hij is voor een verre reis vertrokken.

[20] Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen, op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.

[21] Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht, zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.

[22] Meteen ging hij achter haar aan, zoals een rund ter slachting gaat en zoals een dwaas in een enkelboei als straf,

[23] totdat een pijl zijn lever splijt, zoals een vogel zich haast naar een strik, en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.

[24] Nu dan, kinderen, luister naar mij en sla acht op de woorden van mijn mond.

[25] Laat je hart niet afwijken naar haar wegen, laat het niet afdwalen op haar paden.

[26] Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen, geweldig veel zijn allen die zij heeft gedood.

[27] Haar huis is een weg naar het graf, die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.

Spreuken — Chapters