Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:57

[1] Beter een arme die in zijn oprechtheid zijn weg gaat, dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.

[2] Ja, bezieling zonder kennis is niet goed, en wie haastig is met de voeten, zondigt.

[3] De dwaasheid van een mens verdraait zijn weg, en dan is zijn hart nog woedend op deHEERE ook!

[4] Bezit voegt veel vrienden toe, maar een arme wordt van zijn vriend gescheiden.

[5] Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden, en wie leugens blaast, zal niet ontkomen.

[6] Velen trachten het gezicht van aanzienlijken gunstig te stemmen, en iedereen is een vriend van wie vrijgevig is.

[7] Alle broers van een arme haten hem, hoeveel te meer blijven zijn vrienden ver van hem! Achtervolgt hij hen met woorden, dan zijn zij er niet.

[8] Wie verstand verwerft, heeft zijn leven lief, wie inzicht bewaart, vindt het goede.

[9] Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden, wie leugens blaast, zal omkomen.

[10] Weelde past niet bij een dwaas, hoeveel te minder past het een dienaar om te heersen over vorsten!

[11] Het verstand van een mens doet hem zijn toorn uitstellen, het is zijn sieraad aan een overtreding voorbij te gaan.

[12] De toorn van een koning is als het brullen van een jonge leeuw, maar zijn welgevallen is als dauw op het gras.

[13] Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader, en het geruzie van een vrouw een gestadig druppelen.

[14] Huis en bezit zijn een erfenis van de vaderen, maar een verstandige vrouw is van deHEERE .

[15] Luiheid doet in diepe slaap vallen, een bedrieglijke persoon zal hongerlijden.

[16] Wie het gebod in acht neemt, bewaart zijn leven, wie zijn wegen veracht, zal sterven.

[17] Wie zich ontfermt over de arme, leent uit aan deHEERE . Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

[18] Breng uw zoon gehoorzaamheid bij wanneer er nog hoop is, maar laat het niet in u opkomen hem te doden.

[19] Wie door het dolle heen is, moet daarvoor boeten, want als u hem ervan redt, moet u daarmee nog doorgaan.

[20] Luister naar raad en neem vermaning aan, opdat u uiteindelijk wijs wordt.

[21] In het hart van de mens zijn veel plannen, maar de raad van deHEERE , die houdt stand.

[22] Het verlangen van de mens is zijn goedertierenheid, maar een arme is beter dan een leugenachtige man.

[23] De vreze desHEEREN is ten leven, verzadigd overnacht men, door geen kwaad bezocht.

[24] Een luiaard steekt zijn hand in de schotel, maar brengt hem niet meer aan zijn mond.

[25] Sla een spotter, dan zal die onverstandige schrander worden, en wijs een verstandige terecht, en hij zal inzicht krijgen.

[26] Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder wegjaagt, is een zoon die beschaamd maakt en schandelijk handelt.

[27] Houd maar op, mijn zoon, naar vermaning te luisteren, als je toch van de woorden van de kennis afdwaalt.

[28] Een verdorven getuige spot met het recht, en de mond van de goddelozen verslindt onrecht.

[29] Strafgerichten zijn bereid voor de spotters, en slagen voor de rug van dwazen.

Spreuken — Chapters