Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:04

[1] Beter een droog stuk brood met rust erbij, dan een huis vol geslachte dieren met onenigheid.

[2] Een verstandige dienaar zal heersen over een zoon die beschaamd maakt, te midden van de broers zal hij in de erfenis delen.

[3] Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud, maar deHEERE beproeft de harten.

[4] Een kwaaddoener slaat acht op bedrieglijke lippen, een leugenaar hoort een verderfelijke tong aan.

[5] Wie de arme bespot, smaadt diens Maker, wie zich verblijdt over iemands ongeluk, zal niet voor onschuldig gehouden worden.

[6] Kleinkinderen zijn de kroon van de ouderen, en het sieraad van kinderen zijn hun vaders.

[7] Een lip die voortreffelijke dingen spreekt, past niet bij een dwaas, hoeveel te minder een vals woord bij een aanzienlijke.

[8] Een omkoopgeschenk is in de ogen van de bezitters ervan een sierlijke steen; waarheen hij zich ook wendt, hij zal voorspoedig zijn.

[9] Wie de overtreding toedekt, zoekt liefde, maar wie de zaak weer oprakelt, maakt scheiding tussen de beste vrienden.

[10] Een bestraffing werkt dieper in op een verstandige, dan een honderdtal stokslagen op een dwaas.

[11] Een opstandige zoekt slechts het kwade, en er zal een meedogenloze bode naar hem toe gestuurd worden.

[12] Laat iemand een beer die van jongen beroofd is, maar tegenkomen, maar niet een dwaas met zijn dwaasheid.

[13] Wie kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

[14] Het begin van een ruzie is alsof iemand water de vrije loop geeft. Stop daarom de onenigheid, voordat ze echt losbarst.

[15] Wie de goddeloze vrijspreekt en wie de rechtvaardige schuldig verklaart, zijn voor deHEERE een gruwel, allebei.

[16] Waarom toch zou er in de hand van een dwaas geld zijn om wijsheid te kopen, terwijl hij geen verstand heeft?

[17] Een vriend heeft te allen tijde lief, en een broeder wordt in benauwdheid geboren.

[18] Een mens zonder verstand bevestigt iets met handslag en stelt zich borg voor zijn naaste.

[19] Wie overtreding liefheeft, heeft ruzie lief, wie zijn deur verhoogt, zoekt ondergang.

[20] Wie verkeerd van hart is, zal het goede niet vinden, en wie vals van tong is, valt in het kwaad.

[21] Wie een dwaas verwekt – deze zal hem tot verdriet worden, de vader van een dwaas zal zich niet verblijden.

[22] Een blij hart bevordert de genezing, maar een neerslachtige geest doet de beenderen verdorren.

[23] Een goddeloze zal een omkoopgeschenk uit de schoot aannemen om de paden van het recht te buigen.

[24] Een verstandige heeft wijsheid voor ogen, maar de ogen van de dwaas zijn gericht op het einde van de aarde.

[25] Een dwaze zoon is een verdriet voor zijn vader, en bitterheid voor wie hem gebaard heeft.

[26] Het is niet goed de rechtvaardige ook te laten boeten, nog minder aanzienlijken te slaan vanwege hun oprechtheid.

[27] Wie kennis van zaken heeft, houdt zijn woorden in, en iemand met inzicht is bezonnen van geest.

[28] Zelfs een dwaas die zwijgt, wordt wijs geacht, wie zijn lippen op elkaar houdt, verstandig.

Spreuken — Chapters