Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:10

[1] Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is, maar een rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw.

[2] Vanwege de overtreding van het land heeft het veel vorsten, maar door mensen met inzicht en kennis zal het recht duurzaam zijn.

[3] Een arme man die de geringen verdrukt, is een regen die wegvaagt, zodat er geen brood is.

[4] Wie de wet verlaten, prijzen de goddelozen, maar wie de wet in acht nemen, gaan met hen de strijd aan.

[5] Boosaardige lieden begrijpen het recht niet, maar wie deHEERE zoeken, begrijpen alles.

[6] Een arme die in zijn oprechtheid zijn weg gaat, is beter dan wie slinkse wegen gaat, al is hij rijk.

[7] Wie de wet in acht neemt, is een verstandige zoon, maar wie omgaat met hen die zich te buiten gaan, maakt zijn vader te schande.

[8] Wie met rente en met winst zijn bezit vermeerdert, brengt het bijeen voor hem die zich over armen ontfermt.

[9] Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet, is zelfs zijn gebed een gruwel.

[10] Wie oprechten doet dwalen op een verkeerde weg, zal zelf in zijn kuil vallen, maar wie oprecht zijn, zullen het goede erven.

[11] Een rijk man is wijs in zijn eigen ogen, maar een arme die inzicht heeft, doorziet hem.

[12] Als rechtvaardigen opspringen van vreugde, geeft het veel glans, maar als goddelozen verschijnen, zijn mensen ver te zoeken.

[13] Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.

[14] Welzalig is een mens die voortdurend diep ontzag heeft voor deHEERE , maar wie zijn hart verhardt, valt in het kwaad.

[15] Als een brullende leeuw en een jagende beer is een goddeloze die over een arm volk heerst.

[16] Een vorst die gebrek aan inzicht heeft, maakt zich dikwijls schuldig aan afpersingen, maar wie winstbejag haat, zal zijn dagen verlengen.

[17] Een door bloedschuld bezwaard mens zal naar de kuil vluchten, weerhoud hem niet!

[18] Hij die oprecht wandelt, zal verlost worden, maar wie kromme wegen gaat, zal ineens ten val komen.

[19] Wie zijn land bewerkt, zal met brood verzadigd worden, maar wie leeglopers navolgt, wordt met armoede verzadigd.

[20] Een betrouwbaar man heeft talrijke zegeningen, maar wie erop aast om rijk te worden, zal niet voor onschuldig gehouden worden.

[21] Het is niet goed partijdig te zijn, want dan zal een man al overtreden om een stuk brood.

[22] Wie zich haast naar bezit, is iemand die niemand iets gunt, hij weet niet dat gebrek over hem zal komen.

[23] Wie een mens terechtwijst, zal later meer gunst vinden dan wie met de tong vleit.

[24] Wie zijn vader of zijn moeder berooft en zegt: Het is geen overtreding, die is een metgezel van een verderfelijk man.

[25] Wie hebzuchtig is, verwekt ruzie, maar wie op deHEERE vertrouwt, wordt verzadigd.

[26] Wie op zijn hart vertrouwt, die is een dwaas, maar wie in wijsheid zijn weg gaat, die zal ontkomen.

[27] Wie aan de arme geeft, zal geen gebrek hebben, maar wie zijn ogen toesluit, zal veel vervloekt worden.

[28] Als goddelozen verschijnen, verbergt een mens zich, maar als zij omkomen, worden rechtvaardigen talrijk.

Spreuken — Chapters