Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:08

[1] Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid, neig je oor tot mijn inzicht,

[2] zodat je bedachtzaamheid in acht neemt, en je lippen kennis bewaren.

[3] Want de lippen van een vreemde vrouw druipen van honingzeem, haar gehemelte is gladder dan olie,

[4] maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

[5] Haar voeten dalen af naar de dood, haar voetstappen sturen aan op het graf;

[6] opdat je het pad ten leven niet zou inslaan, zwalken haar sporen zonder dat je het beseft.

[7] Nu dan, kinderen, luister naar mij en wijk niet af van de woorden van mijn mond.

[8] Houd je weg ver bij haar vandaan en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,

[9] opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft en je jaren aan een meedogenloze,

[10] opdat vreemden zich niet verzadigen met jouw kracht, en je zwoegen ten goede komt aan het huis van een onbekende,

[11] zodat je uiteindelijk kermt, als het gedaan is met je vlees en je lichaam,

[12] en je zegt: Hoe heb ik vermaning kunnen haten, en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen,

[13] en heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leraren, mijn oren niet geneigd tot mijn leermeesters!

[14] In bijna alle kwaad heb ik verkeerd, in het midden van de gemeente en de gemeenschap!

[15] Drink water uit je eigen bak, stromend water uit je eigen put.

[16] Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden, de waterbeken op de pleinen.

[17] Laten ze van jou alleen zijn en van geen vreemde met jou.

[18] Moge je levensbron gezegend zijn en verblijd je over de vrouw van je jeugd:

[19] een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje. Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken, dool voortdurend rond in haar liefde.

[20] Waarom zou je, mijn zoon, ronddolen bij een vreemde vrouw, de boezem van die onbekende omarmen?

[21] Want de wegen van een man zijn vóór de ogen van deHEERE , Hij weegt al zijn sporen.

[22] Zijn ongerechtigheden nemen de goddeloze gevangen: met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden.

[23] Híj zal sterven omdat er geen vermaning was, door zijn grote dwaasheid zal hij verdwalen.

Spreuken — Chapters