Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:58

[1] Een bedrieglijke weegschaal is voor deHEERE een gruwel, maar een zuivere weegsteen is Hem welgevallig.

[2] Komt overmoed, dan komt ook schande, maar bij de ootmoedigen is wijsheid.

[3] De oprechtheid van de oprechten leidt hen, maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf.

[4] Bezit baat niet op de dag van de verbolgenheid, maar gerechtigheid redt van de dood.

[5] De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht, maar de goddeloze komt ten val door zijn eigen goddeloosheid.

[6] De gerechtigheid van de oprechten zal hen redden, maar de trouwelozen worden gevangen in hun eigen begeerten.

[7] Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn hoop, dan vergaat zelfs de allersterkste verwachting.

[8] De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered, maar de goddeloze komt in zijn plaats.

[9] De huichelaar richt zijn naaste met zijn mond te gronde, maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.

[10] Een stad springt op van vreugde over de welstand van de rechtvaardigen, maar als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

[11] Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven, maar door de mond van goddelozen wordt ze met de grond gelijkgemaakt.

[12] Wie zonder verstand is, veracht zijn naaste, maar iemand met inzicht zwijgt.

[13] Wie al lasterend zijn weg gaat, openbaart geheimen, maar wie betrouwbaar van geest is, bedekt een zaak.

[14] Als er geen wijze raad is, komt een volk ten val, maar er komt verlossing door een veelheid van raadgevers.

[15] Wie borg is voor een vreemde, zal het beslist slecht vergaan, maar wie handslag haat, leeft veilig.

[16] Een bevallige vrouw houdt vast aan haar eer, zoals geweldplegers vasthouden aan hun rijkdom.

[17] Een goedertieren mens doet zijn eigen ziel goed, maar een meedogenloze stort zijn eigen vlees in het ongeluk.

[18] De goddeloze doet een bedrieglijk werk, maar wie gerechtigheid zaait, oogst betrouwbaar loon.

[19] Ware gerechtigheid is ten leven, najagen van kwaad leidt tot de dood.

[20] De verkeerden van hart zijn voor deHEERE een gruwel, maar de oprechten van weg zijn Hem welgevallig.

[21] Hand op hand: een kwaaddoener zal niet voor onschuldig gehouden worden, maar het nageslacht van rechtvaardigen zal ontkomen.

[22] Een mooie vrouw zonder inzicht is een gouden ring in een varkenssnuit.

[23] Het verlangen van rechtvaardigen is alleen het goede, maar de hoop van goddelozen is verbolgenheid.

[24] Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen, en er zijn er die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.

[25] Een zegenende ziel wordt verzadigd, en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.

[26] Het volk vervloekt wie hun koren onthoudt, maar zegening rust er op het hoofd van wie het verkoopt.

[27] Wie het goede nastreeft, zoekt welgevallen, maar wie het kwade najaagt, die zal het overkomen.

[28] Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal ten val komen, maar de rechtvaardigen zullen groeien als loof.

[29] Wie zijn huis in het ongeluk stort, zal wind erven, en de dwaas zal een slaaf zijn van wie wijs is van hart.

[30] De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens, en wie zielen vangt, is wijs.

[31] Zie, een rechtvaardige krijgt vergelding op aarde, hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar!

Spreuken — Chapters