Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:05

[1] Een zelfzuchtige jaagt naar zijn eigen verlangen, hij barst los tegen alle wijsheid.

[2] Een dwaas vindt geen vreugde in inzicht, maar alleen in het blootgeven van zijn hart.

[3] Waar een goddeloze binnenkomt, komt ook verachting, en met schande komt ook smaad.

[4] De woorden uit de mond van een man zijn diepe wateren, de bron van wijsheid is een overvloeiende beek.

[5] Het is niet goed een goddeloze voor te trekken en het recht van een rechtvaardige te buigen in het gericht.

[6] De lippen van een dwaas komen terecht in onenigheid, zijn mond roept om slagen.

[7] De mond van een dwaas is zijn ondergang, zijn lippen zijn een valstrik voor hemzelf.

[8] De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen, die dalen af in de schuilhoeken van zijn binnenste.

[9] Ja, wie zich slap opstelt in zijn werk, die is een broeder van een aartsvernieler.

[10] De Naam van deHEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.

[11] Het bezit van een rijke is zijn sterke stad, als een hoge muur, in zijn verbeelding.

[12] Vóór de ondergang verheft zich het mensenhart, maar nederigheid gaat vóór de eer.

[13] Wie antwoordt voordat hij geluisterd heeft, het is hem tot dwaasheid en schande.

[14] Iemands geestkracht zal hem in zijn ziekte steunen, maar een neerslachtige geest, wie kan die opbeuren?

[15] Het hart van verstandigen verwerft kennis, en het oor van wijzen zoekt kennis.

[16] De gift van een mens maakt ruimte voor hem, en leidt hem in de tegenwoordigheid van groten.

[17] Wie de eerste is in zijn rechtszaak, lijkt rechtvaardig te zijn, maar dan komt zijn naaste en doorgrondt hem.

[18] Het lot doet geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen de machtigen.

[19] Een broeder wie onrecht is aangedaan, is erger dan een sterke stad, en ruzies zijn als een grendel van een vesting.

[20] Van de vrucht van iemands mond wordt zijn buik verzadigd, hij wordt verzadigd van de opbrengst van zijn lippen.

[21] Dood en leven zijn in de macht van de tong, wie hem liefheeft, zal de vrucht ervan eten.

[22] Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden, en de goedgunstigheid van deHEERE verkregen.

[23] Een arme spreekt met smeekbeden, maar een rijke antwoordt harde dingen.

[24] Een man die vrienden heeft, kan het slecht vergaan, maar soms is er een echte vriend die meer toegewijd is dan een broer.

Spreuken — Chapters