Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:56

[1] Het hart van een koning is in de hand van deHEERE als waterbeken, Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.

[2] Al zijn wegen zijn iemand recht in zijn eigen ogen, maar deHEERE toetst de harten.

[3] Gerechtigheid en recht te doen is voor deHEERE verkieslijker dan een offer.

[4] Een hooghartige oogopslag en een trots hart – het pas ontgonnen land van goddelozen – zijn zonde.

[5] De plannen van wie vlijtig is, leiden alleen tot overschot, maar al wie zich overhaast, komt slechts tot gebrek.

[6] Wie met een bedrieglijke tong schatten verwerft, is als de verwaaiende zucht van hen die de dood zoeken.

[7] De verwoesting van goddelozen sleurt hen mee, omdat zij weigeren recht te doen.

[8] De weg van een mens is krom en vreemd, maar het werk van een reine is juist.

[9] Het is beter te wonen op een hoek van een dak, dan in een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.

[10] De ziel van een goddeloze is belust op het kwade, zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen.

[11] Als men de spotter laat boeten, wordt de onverstandige wijs, en als men de wijze onderricht, doet hij kennis op.

[12] De rechtvaardige let aandachtig op het huis van een goddeloze: God stort goddelozen in het onheil.

[13] Wie zijn oren dichtstopt voor het geroep van de arme, ook hij zal roepen en niet verhoord worden.

[14] Een gift in het verborgene houdt toorn eronder, en een geschenk in de schoot hevige woede.

[15] Voor de rechtvaardige is het een blijdschap recht te doen, maar voor hen die onrecht bedrijven, is het een verschrikking.

[16] Een mens die van de weg van het verstand afdwaalt, zal in gezelschap van de gestorvenen rusten.

[17] Wie blijdschap liefheeft, zal gebrek lijden, wie wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.

[18] Een goddeloze is losgeld voor de rechtvaardige, en de trouweloze komt in de plaats van de oprechten.

[19] Het is beter te wonen in een woestijnachtig land dan bij een twistzieke en tergende vrouw.

[20] In de woning van een wijze ligt een begerenswaardige schat en olie, maar een dwaas mens verspilt die.

[21] Wie gerechtigheid en goedertierenheid najaagt, vindt het leven, rechtvaardigheid en eer.

[22] Een wijze beklimt een stad van helden en haalt de vesting waarop men vertrouwt, neer.

[23] Wie zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zichzelf voor benauwdheden.

[24] Hoogmoedig, trots: spotter is zijn naam, hij gaat met mateloze overmoed te werk.

[25] Het verlangen van een luiaard zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

[26] De hele dag is hij belust op begerenswaardige zaken, maar een rechtvaardige geeft en houdt niets achter.

[27] Het offer van goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer als zij het met een schandelijke bedoeling brengen!

[28] Een leugenachtige getuige zal omkomen, maar iemand die luistert, mag voor altijd spreken.

[29] Een goddeloze man trekt een stalen gezicht, maar een oprechte, die versterkt zijn weg.

[30] Er is geen wijsheid, er is geen inzicht, en er is geen raad tegen deHEERE .

[31] Een paard wordt gereedgemaakt voor de dag van de strijd, maar de overwinning is van deHEERE .

Spreuken — Chapters