Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:22

[1] Evenmin als de sneeuw in de zomer en de regen in de oogsttijd past eer bij een dwaas.

[2] Zoals een mus wegvlucht, zoals een zwaluw wegvliegt, zo komt een vervloeking zonder reden niet aan.

[3] Een zweep is voor het paard, een bit voor de ezel, en een stok voor de rug van dwazen.

[4] Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, anders zou ook u aan hem gelijk worden.

[5] Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, anders zou hij in zijn eigen ogen wijs zijn.

[6] Wie boodschappen verzendt door de hand van een dwaas, snijdt zichzelf de voeten af en drinkt geweld in.

[7] Zoals de benen van een verlamde slap neerhangen, zo is een spreekwoord in de mond van dwazen.

[8] Zoals wie een steen in een slinger vastbindt, zo is hij die een dwaas eer geeft.

[9] Zoals een doorn in de hand van een dronkaard dringt, zo is een spreekwoord in de mond van dwazen.

[10] Groten doen iedereen verdriet aan, zij huren dwazen in en zij huren voorbijgangers in.

[11] Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel, zo is een dwaas die in zijn dwaasheid terugvalt.

[12] Hebt u iemand gezien die wijs is in zijn eigen ogen? Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.

[13] Een luiaard zegt: Een felle leeuw op de weg, een leeuw op de pleinen!

[14] Zoals een deur op zijn scharnier draait, zo draait de luiaard zich om op zijn bed.

[15] Een luiaard steekt zijn hand in de schotel, maar is te moe om die weer naar zijn mond te brengen.

[16] Een luiaard is in zijn eigen ogen wijzer dan zeven mensen die een verstandig weerwoord geven.

[17] Zoals iemand die een voorbijlopende hond bij de oren grijpt, zo is hij die zich mengt in onenigheid die hem niet aangaat.

[18] Zoals een dolleman die fakkels, pijlen en moordtuig werpt,

[19] zo is iemand die zijn naaste bedriegt en zegt: Deed ik het niet voor de grap?

[20] Als er geen hout meer is, dooft een vuur, en als er geen lasteraar is, houdt een ruzie op.

[21] Zoals kolen zijn voor vurige kolen en hout is voor een vuur, zo doet een twistzieke man de onenigheid oplaaien.

[22] De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen, die dalen af in de schuilhoeken van zijn binnenste.

[23] Brandende lippen en een boosaardig hart zijn als een potscherf, overtrokken met schuim van zilver.

[24] Wie haat draagt, veinst met zijn lippen, maar in zijn binnenste zint hij op bedrog.

[25] Geloof hem niet als hij met vriendelijke stem spreekt, want er zijn zeven gruwelen in zijn hart.

[26] Al hult haat zich in bedrog, zijn kwaad zal in de gemeente geopenbaard worden.

[27] Wie een kuil graaft, zal erin vallen, verrolt hij een steen, op hem zal hij terugvallen.

[28] Een valse tong haat hen die hij kwetst, en een gladde mond brengt verderf.

Spreuken — Chapters