Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:04

[1] Wijn is een spotter, sterkedrank een onruststoker, ieder die daardoor gaat zwalken, is niet wijs.

[2] De verschrikking die van de koning uitgaat, is als het brullen van een jonge leeuw: wie zijn toorn over zich haalt, zondigt tegen zijn leven.

[3] Het strekt een man tot eer zich buiten onenigheid te houden, maar iedere dwaas zal zich er juist in mengen.

[4] Vanwege de winter ploegt een luiaard niet, daarom zal hij bedelen in de oogst, maar dan is er niets.

[5] De raad in het hart van een man is als diepe wateren, maar iemand met inzicht zal hem naar boven halen.

[6] Menig mens roept zijn eigen goedertierenheid uit, maar wie zal een betrouwbaar iemand vinden?

[7] Een rechtvaardige gaat zijn weg in oprechtheid, welzalig zijn zijn kinderen na hem.

[8] Een koning die op de rechterstoel zit, schift met zijn ogen alle kwaad.

[9] Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

[10] Tweeërlei weegsteen en tweeërlei efa, ook die beide zijn voor deHEERE een gruwel.

[11] Ook een jongeman laat zich door zijn daden kennen of zijn werk zuiver is en of het oprecht is.

[12] Een oor dat hoort en een oog dat ziet, ook die beide heeft deHEERE gemaakt.

[13] Heb de slaap niet lief, anders wordt u arm, open uw ogen, verzadig u met brood.

[14] Het is slecht, het is slecht, zegt de koper, maar als hij weggaat, dan beroemt hij zich.

[15] Goud is er en een veelheid van robijnen, maar lippen van kennis zijn een kostbaar kleinood.

[16] Neem zijn kleed als iemand borg staat voor een vreemde, geef het in onderpand aan onbekenden.

[17] Leugenbrood smaakt de mens zoet, maar daarna heeft hij zijn mond vol kiezelstenen.

[18] Plannen komen door overleg tot stand, voer daarom oorlog na rijp beraad.

[19] Wie al lasterend zijn weg gaat, openbaart geheimen, laat u dan niet in met hem die met zijn lippen verleidt.

[20] Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, diens lamp zal in volslagen duisternis uitgedoofd worden.

[21] Als een erfenis in het begin al te snel wordt verworven, zal er uiteindelijk geen zegen op rusten.

[22] Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op deHEERE , en Hij zal u verlossen.

[23] Tweeërlei weegsteen is voor deHEERE een gruwel, een bedrieglijke weegschaal is niet goed.

[24] De voetstappen van een man zijn van deHEERE , hoe zou dan een mens zijn weg kunnen begrijpen?

[25] Het is een valstrik voor een mens ondoordacht een heilige gelofte te doen, en pas daarna de gedane geloften te overwegen.

[26] Een wijze koning verstrooit goddelozen en laat het rad over hen gaan.

[27] De geest van een mens is een lamp van deHEERE , die alle schuilhoeken van zijn binnenste doorzoekt.

[28] Goedertierenheid en trouw beschermen een koning, en door goedertierenheid versterkt hij zijn troon.

[29] Het sieraad van jonge mannen is hun kracht, en de glorie van de ouderen is de grijsheid.

[30] Striemen en wonden zuiveren het kwaad uit, evenals slagen de schuilhoeken van het binnenste zuiveren.

Spreuken — Chapters