Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 4:54

[1] De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,

[2] om bekend te worden met wijsheid en vermaning, om woorden vol inzicht te begrijpen,

[3] om vermaning die inzicht biedt, aan te nemen, gerechtigheid, recht en billijkheid,

[4] om aan onverstandigen schranderheid te geven, aan een jongeman kennis en bedachtzaamheid.

[5] Wie wijs is, zal horen en inzicht vermeerderen, en wie verstandig is, zal wijze raad verwerven

[6] om een spreuk en een spreekwoord te begrijpen, woorden van wijzen en hun raadsels.

[7] De vreze desHEEREN is het beginsel van de kennis, dwazen verachten wijsheid en vermaning.

[8] Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,

[9] want ze zijn een bevallige krans om je hoofd, en schakels van een ketting om je hals.

[10] Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden, bewillig er dan niet in.

[11] Als zij zeggen: Ga met ons mee, laten wij loeren op bloed, zonder reden een onschuldige belagen,

[12] laten wij hen levend verslinden, zoals het graf, volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.

[13] Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden, onze huizen zullen wij vullen met buit.

[14] Je zult je lot in ons midden werpen, wij zullen allen tezamen één buidel hebben –

[15] Mijn zoon, ga niet met hen op weg, weerhoud je voet van hun pad,

[16] want hun voeten snellen naar het kwaad en zij haasten zich om bloed te vergieten.

[17] Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen voor de ogen van al wat vleugels bezit.

[18] Zíj loeren op hun eigen bloed, zij belagen hun eigen leven.

[19] Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn, dat ontneemt zijn bezitters het leven.

[20] Buiten roept de hoogste Wijsheid luid, op de pleinen laat Zij Haar stem klinken.

[21] Zij roept boven het rumoer uit, aan de ingangen van de poorten in de stad spreekt Zij Haar woorden uit.

[22] Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben, zullen spotters spotternij voor zich begeren en dwazen kennis haten?

[23] Keert u zich tot Mijn bestraffing, zie, Ik zal Mijn Geest over u uitstorten, Mijn woorden u bekendmaken.

[24] Omdat Ik riep, maar u weigerde, Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,

[25] omdat u al Mijn raad verwierp, Mijn bestraffing niet hebt gewild,

[26] daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang, u bespotten wanneer uw angst komt,

[27] wanneer uw angst komt als een verwoesting, uw ondergang eraan komt als een wervelwind, wanneer benauwdheid en nood over u komen.

[28] Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden. Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden,

[29] omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze desHEEREN niet hebben verkozen.

[30] Zij hebben Mijn raad niet gewild, al Mijn bestraffingen hebben zij verworpen.

[31] Zij zullen van de vruchten van hun weg eten, en verzadigd worden van hun eigen opvattingen,

[32] want de afvalligheid van de onverstandigen zal hen doden en de zorgeloze rust van de dwazen zal hen ombrengen.

[33] Maar wie naar Mij luistert, zal veilig wonen, hij zal vrij zijn van angst voor het kwaad.

Spreuken — Chapters